Dicht langs de blokjes of er ruim omheen: dit is het verschil

Je hebt ongetwijfeld eens gezien dat een schaatser tijdens een rit een blokje van de baan schiet. De schaatser reed te dicht op de blokjes en de commentatoren weten het al zeker: dit wordt een diskwalificatie. Spontaan krijg je medelijden met de rijder, want wat maakt dat ene blokje nou uit? Hij rijdt er toch geen seconde harder door of wel? Hoe zit dat eigenlijk, die 400 meter afstand per rondje? Proskating zocht het samen met Innovatielab Thialf uit.

Door Jan van Loon en Innovatielab Thialf

Wie denkt dat elke ijsbaan exact gelijk is heeft het mis. Er zijn ijsbanen waar de bochten iets krapper of juist wijder zijn. Hierdoor worden de rechte stukken automatisch ook langer of korter, om uiteindelijk tot 400 meter per ronde toe komen.

In dit onderzoek worden de afmeting van Thialf gehanteerd. Voor deze baan geldt:

  • Straal van de binnenbocht is 26 meter
  • Straal van de buitenbocht is 30 meter
  • Recht stuk is 110,43 meter

Een wedstrijdbaan is 4 meter breed en in het schaatsen wordt verondersteld dat schaatsers de gehele bocht 50 centimeter uit de blokken rijden.


Een rekensom levert ons dan het volgende op:

Afmetingen Thialf

Deze afstanden gelden louter voor de traditionele afstanden en niet voor de onderdelen mass start en ploegen achtervolging. De mass start wordt namelijk op de inrijbaan verreden en de ploegenachtervolging in de binnenbaan. De ronden op deze disciplines zijn dus korter.

Aanzienlijke verschillen

De reglementen om de afstanden te bepalen in het langebaanschaatsen schrijven dus voor dat ervan uitgegaan wordt dat een schaatser gemiddeld 50 centimeter afstand houdt van de blokken. We zien vaak dat schaatsers veel dichter op de blokjes rijden. We kunnen ons allemaal het EK sprint 2019 in Collalbo herinneren. Kjeld Nuis slalomde bijna door de blokjes, tikte een blokje aan en ging met zijn gehele schaats over de lijn. Nuis nam een risico en dat kwam hem duur te staan, want hij werd gediskwalificeerd. 

COLLALBO: Kjeld Nuis (NED), ©photo Martin de Jong

Jorrit Bergsma is ook een schaatser die dicht langs de blokken rijdt. Sven Kramer houdt juist meer afstand van de blokken en rijdt meer op zekerheid. Loont het dan om risico’s te nemen? De vraag stellen is hem eigenlijk ook meteen beantwoorden. In een sport waar het verschil tussen winnen en verliezen soms minder dan een centimeter is, telt elk detail.

Sven Kramer neemt meer afstand van de blokken dan Jorrit Bergsma (foto: Vincent Riemersma)

Wat zijn nu echt de verschillen?

Het spreekt voor zich dat hoe dichter je langs de blokken rijdt, hoe minder meters je aflegt. Als een schaatser in staat is om dezelfde snelheid te produceren in de verschillende stralen van de bocht, dan is elke centimeter dichter op de blokken pure winst.

Hoe langer de afstand, hoe meer winst je kunt behalen. Dit wordt weergegeven in onderstaande tabel.

In de tabel wordt duidelijk hoeveel tijdwinst een schaatser kan boeken als hij dichter langs de blokken weet te schaatsen dan de gestandaardiseerde 50 centimeter.

Stel dat Jorrit Bergsma gemiddeld 25 centimeter uit de blokken rijdt gedurende zijn tien kilometer, dan rijdt hij geen tien kilometer, maar 40 meter minder. Gezien de rijstijl van Sven Kramer is de kans groot dat hij juist verder uit de blokken rijdt dan de voorzien 50 centimeter. Dan blijkt dat Jorrit Bergsma tientallen meters minder schaatst op de tien kilometer dan Sven Kramer.

Apex

Een snelle conclusie is dan dat schaatsers winst kunnen behalen door eenvoudig dichter langs de blokjes te rijden. Zo simpel ligt het echter niet, al is het wiskundig 100 procent waar. Schaatsen is een gevoelssport en dichter langs de blokken schaatsen brengt risico’s met zich mee. Het staat ‘lekker schaatsen’ mogelijk in de weg. Een bocht wat wijder ingaan en uitwaaien kan de druk op de benen ook verlichten waardoor het makkelijker wordt om een gekozen snelheid langer vol te houden.

Net als Max Verstappen in de Formule 1 zoeken topschaatsers de apex van de bocht op. Dat is het punt waar de schaatser dicht op de blokken komt alvorens hij er weer meer afstand van neemt. Door een perfecte lijn te schaatsen maakt een schaatser een bocht langer en minder krap, waardoor er minder kracht op de benen komt. Iemand als de Tsjechische Martina Sábliková doet dat erg goed, maar rijdt juist daardoor extra meters.

Conclusie

Schaatsen is een sport waar elke duizendste belangrijk is en een sterke finish met de voet ver naar voren het verschil kan maken tussen winst of verlies. In de bocht zo dicht mogelijk op de blokken proberen te rijden lijkt een ondergeschoven kindje. Hoewel het goede gevoel tijdens het schaatsen erg belangrijk is, kan hierin niet voorbij worden gegaan aan de wetenschap. Op een 10.000 meter op 10 centimeter langs de blokken rijden, maakt de afstand meer dan 100 meter korter, dan wanneer er net buiten het aangenomen gemiddelde van 50 centimeter uit de blokken worden gereden. Enorme verschillen die het verschil maken tussen winst en verlies.

Dit artikel is gepubliceerd in Proskating #1 seizoen 2019/2020. Ook direct deze verhalen bij jou op de mat? Word dan lid!